FCI - Standaard Nr. 148 Dashond
OORSPRONG: Duitsland
DATUM VAN PUBLICATIE VAN DE GELDENDE ORIGINELE
STANDAARD: 04–09-2019
GEBRUIK: Jachthond voor boven en onder de grond
KLASSE INDELING FCI: Groep 4 Dashonden.
Met werkproef.

KORT HISTORISCH OVERZICHT:.
De Dashond, ook wel Dackel of Teckel genoemd, is bekend sinds de middeleeuwen. Uit brakken werden opeenvolgend honden gefokt die speciaal voor de jacht onder de grond geschikt waren. Uit deze kortbenige honden werd de Teckel geselecteerd, die erkend is als een van de meest veelzijdige jacht- gebruikshonden- rassen. Hij laat ook bovengronds uitstekende prestaties zien, zoals bij het luid op spoor jagen, het opstoten van het wild en het zweetwerk. De oudste rasvereniging voor Dashonden is de Duitse Teckelclub, erkend en opgericht in 1888.
De Dashond wordt sinds vele decennia gefokt in 3 verschillende groottes (dashond, dwergdashond en kaninchendashond) en in 3 verschillende haarvariëteiten (korthaar, ruwhaar en langhaar), dus in negen variëteiten.

ALGEMENE VERSCHIJNING:
Laag, kortbenig, langgestrekt, maar compact gebouwd, zeer gespierd, met driest uitdagende hoofdhouding en attente gezichtsuitdrukking. Zijn lichaamsbouw stelt hem in staat tot behendig en snel werken, boven- en onder de grond. Geslachtsonderscheid is duidelijk.

BELANGRIJKE VERHOUDINGEN:
Bij een bodemafstand van ongeveer eenderde van de schofthoogte, moet de lichaamslengte in harmonische verhouding tot de schofthoogte staan, ongeveer 1 op 1,7 - 1,8. (vanaf de punt van de voorborst tot de punt van het zitbeen)

GEDRAG EN TEMPERAMENT:
Vriendelijk van aard, noch angstig, noch agressief, met een evenwichtig temperament. Een gepassioneerde, vasthoudende, behendige jachthond met een fijne neus.

HOOFD:
Van boven langgestrekt en van opzij gezien gelijkmatig tot de neusspiegel smaller wordend, echter niet puntig. Wenkbrauwbogen duidelijk uitkomend. Neuskraakbeen en neusrug lang en smal.

BOVENSCHEDEL:
Schedel: Eerder vlak, niet te breed, geleidelijk toelopend met de licht gewelfde neusrug. Achterhoofdsknobbel niet te sterk ontwikkeld. 
Stop: Licht aangeduid.

AANGEZICHTSSCHEDEL:
Neus: Goed geopende neusgaten. Kleur: zie onder betreffende kleurdefinities.
De vang: Lang, voldoende breed en krachtig. Ver te openen, tot een verticale lijn ter hoogte van de ogen.
Lippen: Strak aanliggend, de onderkaak goed bedekkend.
Kaken/gebit: Sterk ontwikkelde kaken. Schaargebit, gelijkmatig en strak passend. Ideaal is een complete set van 42 tanden volgens de tandformule met krachtige hoektanden die exact in elkaar grijpen.

OGEN:
Middelgroot, amandelvormig, goed uit elkaar liggend, met heldere, energieke en toch vriendelijke uitdrukking, niet stekend. Kleur glanzend donkerroodbruin tot zwartbruin bij alle haarkleuren van de hond.
Glas-, vis -, of parelogen bij gevlekte honden zijn niet gewenst, echter wel te tolereren.
Oogleden goed gepigmenteerd.

OREN:
Hoog, niet te ver naar voren aangezet, voldoende lang, reikend tot de mondhoek, maar niet veel langer. Afgerond, beweeglijk, met de voorste rand dicht tegen de wang aanliggend.

HALS:
Voldoende lang, bespierd, strak aanliggende keelhuid. Licht gewelfde nek, vrij en hoog gedragen.

LICHAAM:
Bovenbelijning: Harmonisch verlopend van de hals naar het licht hellende kruis.
Schoft: Uitgesproken.
Rug: Na de hoge schoft, verloopt de bovenbelijning via de borstwervels recht of met een lichte welving naar achter. Stevig en goed bespierd.
Lendenen: Krachtig, breed en goed bespierd.
Kruis: Breed en voldoende lang, niet horizontaal of te sterk hellend.
Borst: Borstbeen goed ontwikkeld en zo sterk vooruitspringend, dat aan beide zijden lichte kuiltjes zichtbaar zijn. De borstkas is van voren gezien ovaal, van boven en opzij gezien,zeer ruim. Geeft hart en longen volop ruimte, ver naar achteren opgeribt. Bij een goede lengte en hoeking van het schouderblad en de opperarm, bedekt het voorbeen van opzij gezien het diepste punt van de borst.
Keelhuid niet uitgesproken.
Onderbelijning en buik: Licht opgetrokken. Borstlijn vloeiend overgaand naar de buiklijn in een doorlopende lijn.

STAART:
De staart wordt gedragen in een harmonieuze verlenging van de bovenbelijning, licht aflopend, niet boven de ruglijn gedragen. In het laatste derde deel van de staart is een lichte kromming toegestaan.

LEDEMATEN:
VOORHAND:
Algemeen: Sterk gespierd, goed gehoekt; van voren gezien droge (aanliggende huid), rechte voorbenen van sterk bone met recht naar voor gerichte voeten, die ter hoogte van het diepste punt van de borst staan.
Schouder: Goed ontwikkelde spieren. Lang, schuin liggend schouderblad,
(ca 90° t.o.v. de opperarm), strak aansluitend aan de borst.
Opperarm: Van gelijke lengte als het schouderblad, nagenoeg in een rechte hoek hiermee staand, sterk van bot en goed bespierd, tegen de ribben aanliggend, maar vrij in beweging.
Ellebogen: Niet naar binnen noch naar buiten draaiend.
Onderarm: Kort, echter wel zo lang dat de bodemafstand van de hond eenderde van de schofthoogte bedraagt. Zo recht mogelijk.
Pols: De polsen staan wat dichter bij elkaar dan de schoudergewrichten.
Voormiddenvoet: Moet van opzij gezien niet steil, noch opvallend naar voren gericht zijn.
Voorvoeten: Tenen strak tegen elkaar, goed gewelfd, met sterke, veerkrachtige, goed gevulde voetkussens en korte, sterke nagels. Kleur: Zie onder betreffende kleurdefinities. De vijfde teen heeft geen functie.

ACHTERHAND:
Algemeen: Krachtig gespierd, in goede verhouding met de voorhand. Sterke hoeking van knie- en spronggericht. Achterbenen parallel, niet nauw, noch wijd uit elkaar staand.
Bovenbeen: Van goede lengte en sterk bespierd.
Kniegewricht: Breed en krachtig met uitgesproken hoeking.
Onderbeen: Kort, bij benadering een rechte hoek vormend met het bovenbeen, goed bespierd.
Spronggewricht: Krachtig, pezig en droog.
Achtermiddenvoet: Kort, beweeglijk t.o.v. onderbeen, licht naar voren gebogen.
Achtervoeten: Vier strak tegen elkaar liggende tenen, goed gewelfd. Vol op de krachtige voetkussens rustend.

GANGWERK:
Ruim uitgrijpende bewegingsafloop, vloeiend en energiek met een ver uitgrijpende voorpas zonder de voeten teveel op te tillen, sterke stuwing en licht verende overbrenging naar de rugbelijning. De staart moet daarbij in harmonische verlenging van de ruglijn, licht aflopend gedragen worden. In beweging zijn voor- en achterhand parallel uitgrijpend.

HUID:
Strak aanliggend, goed gepigmenteerd. Kleur: Zie onder betreffende kleurdefinities.

RUWHAAR
BEHARING:
Haar: Met uitzondering van de snuit, wenkbrauwen en oren over het gehele lichaam van onderwol voorzien, volkomen gelijkmatig aanliggend, dicht, draadachtig
dekhaar. Zacht haar op het hoofd en benen is hoogst ongewenst. Aan de snuit toont zich een uitgesproken duidelijke baard. De wenkbrauwen zijn borstelig. Aan de oren is de beharing korter als op het lichaam, bijna glad. Staart is goed en gelijkmatig, strak aanliggend behaard.
Kleuren en kleurpatronen:
a)Eenkleurige: Rood, zwarte stichelung toegestaan. Echter, een zuivere donkere kleur heeft de voorkeur. Een kleine witte vlek (tot 3 cm diameter) is alleen toegestaan op de borst. Neus, nagels en voetzolen zwart; roodachtig-bruin is niet wenselijk.
b) Meerdere kleuren: Wildzwijn, bruin wildzwijn, zwart-rood, bruin met brand. Aftekening (‘Brand’, hoe donkerder hoe beter en zo schoon mogelijk) boven de ogen, aan weerszijden van de mond, op de lippen, aan de binnenkant van de oren, aan de voorborst, aan de binnen- en achterkant van de benen, aan de voeten, rond de anus en vanaf daar tot ongeveer een derde of de helft aan de onderkant van de staart. Neus, nagels en voetzolen bij wildzwijn en zwart-rode honden zwart, bij bruin wildzwijn en bruin-tan honden bruin. Een kleine witte vlek (tot 3 cm diameter) is alleen toegestaan op de borst. Zowel een te sterk verspreide alsook een te weinig uitgesproken brand is hoogst onwenselijk.
c) Kleurpatroon Gevlekt (Merle): Met de onder a) en b) omschreven kleuren wildkleur, zwart of bruin, is de donkere kleur altijd de grondkleur. Uitzondering: rood gevlekt (rood met donkere vlekken). Gewenst zijn onregelmatige grijze maar ook beige vlekken. (grote platen niet gewenst). Noch de donkere, noch de lichte kleur is overheersend. Voor de neus, nagels en voetzolen zie onder a) en b).
d) Kleurpatroon Gestroomd: De kleur van gestroomde teckels is rood met donkere stroming. Neus, nagels en voetzolen zijn zwart.
Alle niet eerder genoemde kleuren en kleurpatronen zijn diskwalificerend. Gebrek aan pigmentatie is zeer ongewenst.

MATEN (Dwergdashond)
Borstomtrek wordt gemeten als de hond minstens 15 maanden oud is, van het hoogste punt van de schoft tot het diepste punt van de borst (met licht gespannen meetlint).
Borstomvang: Reuen: vanaf 32 cm – tot 37 cm
Teven: vanaf 30 cm – tot 35 cm

FOUTEN
Elke afwijking van de voorgaande punten moet als een fout worden beschouwd, de ernst waarmee de fout moet worden gewaardeerd, moet exact in verhouding staan tot de gradatie van de afwijking en het effect op de gezondheid en het welzijn van de hond, evenals zijn vermogen om zijn oorspronkelijke werk te kunnen doen.
M3 (Molaar 3) wordt buiten beschouwing gelaten bij het keuren.
Het ontbreken van twee PM1 (premolaar1) is niet als fout te waarderen.
De afwezigheid van één PM2 moet als een fout worden beschouwd, als er geen andere tanden (met uitzondering van de M3) ontbreken, net als een afwijking van een correct sluitend schaargebit, zoals bijvoorbeeld een tanggebit.

ERNSTIGE FOUTEN
• Zwakke, hoogbenige of over de grond slepende gestalte.
• Andere tandfouten dan die beschreven onder fouten of diskwalificerende fouten.
• Glasogen in elke andere kleur dan de gevlekte.
• Puntige, sterk gevouwen oren.
• Lichaam hangend tussen schouders.
• Zadelrug, karperrug.
• Zwakke ledenpartij.
• Sterk overbouwde hond (kruis hoger dan de schoft).
• Borstkast te zwak.
• Windhondachtig opgetrokken flanken.
• Slecht gehoekte voor- en achterhand.
• Nauwe, matig bespierde achterhand.
• Koehakkig of o-benen.
• Naar binnen- of teveel naar buiten- gedraaide voeten
• Spreidtenen.
• Trage, onhandige, waggelende beweging.

ERNSTIGE FOUTEN VACHT Ruwharige Dashond:
• Zachte vacht, of lang of kort.
• Lange vacht, in alle richtingen van het lichaam afstaand.
• Krullende of golvende vacht.
• Zacht haar op het hoofd.
• Vlag aan de staart.
• Missen van baard.
• Missen van ondervacht.
• Kortharigheid. 

DISKWALIFICERENDE FOUTEN
• Agressieve of overdreven angstige hond.
• Elke hond die duidelijk lichamelijke- of gedragsafwijkingen vertoont.
• Ontypische rasvertegenwoordiger
• Ondervoor of bovenover bijten, scheve kaken.
• Foutieve positionering van de onderste hoektanden.
• Ontbreken van een of meer hoektanden of een of meer snijtanden.
• Ontbrekende andere premolaren of kiezen. Uitzonderingen: de twee PM1 of één PM2 zonder rekening te houden met de M3, zoals vermeld onder "Fouten"
• Borst: afgezet borstbeen.
• Elke staartfout.
• Zeer losse schouders.
• Overknockling in de pols.
• Zwarte of bruine kleur zonder brand, witte kleur met of zonder brand.
• Andere kleuren en kleurpatronen dan die vermeld onder "Kleur- en kleurpatronen". NB:
• Reuen moeten twee duidelijk normaal ontwikkelde testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn ingedaald.
• Alleen functioneel en klinisch gezonde honden, met de typische raskenmerken, moeten voor de fokkerij worden gebruikt